Moederschap, een zusterschap – deel 2

Vorige week had ik het al over de ‘wij’ en ‘zij’-kampen in het moederschap. Het lijkt wel alsof we denken dat borstvoedende moeders allemaal hetzelfde zijn. En dat moeders uit Kamp Borstvoeding niets gemeen hebben met de moeders uit Kamp Kunstvoeding. Dat is natuurlijk niet waar. Dat je één eigenschap deelt met iemand, betekent natuurlijk niet dat jullie verder ook hetzelfde zijn.

Het in-hokjes-stoppen gebeurt grotendeels onbewust. Als je er bewust over nadenkt weet je best wel dat we groepen niet over één kam moeten scheren. Er zijn verschillen tussen mij en andere borstvoedende moeders en er zijn overeenkomsten tussen mij en kunstvoedende moeders. We zijn allemaal individuen en zijn daarom eindeloos verschillend. Ik ben niet mijn hokje en ik ben niet niet als iemand uit dat andere hokje. Iedereen wil uniek zijn. Jij bent jij om redenen dat jij jij bent en dat maakt jou speciaal – toch?!

Waarom denken we dan dat het slecht is om anders te zijn/het oneens te zijn?

Mijn moeder is één van de mensen wiens opvattingen nogal kunnen afwijken van de mijne. We zijn op veel vlakken heel verschillend. En soms zijn we vreselijk hetzelfde. We zijn het vaak oneens, maar soms begrijpen we elkaar juist als geen ander. Dit bleek ook uit het gesprek dat wij van de week hadden over opvoeden en ouderschap.

Bij Oma thuis

Mijn moeder past eens per week op Lily. Best vaak, vind ik. En gelukkig maar, want ik wil dat Lily een goede band heeft met haar grootouders! Bij het oppassen vind ik het belangrijk dat De Oppasser (in dit geval dus mijn ouders. Nou, eigenlijk mijn moeder…) mag bepalen wat de regels zijn. Het is immers haar huis en alles wat gebeurt, gebeurt onder haar toezicht. Mijn moeder mag dit dus zelf inkleuren. Maar wel binnen míjn (oké, onze) lijntjes.

Wij willen bijvoorbeeld dat Lily niet te veel suiker binnenkrijgt. Ook vinden wij dat ze niet hoéft te eten als ze niet wilt. Een hele belangrijke vind ik ook het huilen en slapen. Toen Lily nog wat kleiner was, probeerden mijn ouders haar te doen slapen door haar in de wandelwagen door het bos te rijden – wagen plat en gordijntje dicht. Maar Lily moest daar ontzettend van krijsen en raakte helemaal over haar toeren. Lily hoéft van ons ook niet op een bepaald tijdstip te gaan slapen. Ze slaapt wel als ze moe is. Dit hebben wij besproken met mijn ouders en sindsdien blijft de wagen omhoog en het gordijntje open – soms valt Lily in slaap en soms niet, maar krijsen doet ze (bijna) nooit meer.

Onbegrip

Eten gaat bij ons ook op gevoel – op Lily’s gevoel. Ik maak iets van elke food group voor haar klaar en zij mag kiezen wat en hoeveel ze eet. Soms eet ze bijvoorbeeld een tijdje alleen maar brood met stroop en rozijntjes. Als je het mij vraagt is dat omdat Lily dus wat extra IJzer nodig heeft. Zij voelt dat onbewust aan en heeft daarom trek in eten dat rijk is aan IJzer. Toen ik dit eens noemde in een gesprek met mijn moeder, zei ze: “Geloof je dat écht?!” Zij gelooft daar niet zo in.

Geloven? Wat heeft dit nou met geloven te maken, dacht ik.

Dat ís toch gewoon zo? Zo werkt ons lijf toch?

Mijn moeder is meer van het volgen van informatie. Ik niet. Ik heb het idee dat het lijf het beste weet wat het lijf nodig heeft. Volg je natuur, luister naar je Oergevoel.

Mijn moeder moet hier, geloof ik, een beetje om gniffelen. Die vind mij denk ik een beetje maf en zweverig. Alsof je op een ‘magische’ manier zou weten wat je lijf nodig heeft. Je moet gewoon een gebalanceerd dieet hebben, je vitaminen binnen krijgen en af en toe een frisse neus halen. Daar ben ik het ook wel mee eens, maar ik denk dat je, als je nog in contact staat met je Oergevoel, hoe kinderen dat nog zijn, heel goed weet als je lichaam even uit balans is. En dat je gevoel je zegt hoe je het balans weer terug kan vinden.

Mijn moeder begrijpt mij niet.

En ik begrijp haar onbegrip niet. En dat is prima. Daar laten we het bij. We zijn twee heel verschillende mensen en we kunnen nou eenmaal niet alles door elkaars ogen bekijken. Soms begrijp je elkaar gewoon niet en blijf je het oneens. Vraag je dan af: is dat erg? In dit geval is het niet erg. Lily hoeft haar bordje niet leeg te eten – bij mij niet en bij mijn moeder niet. Ons wederzijds onbegrip maakt in de praktijk dus geen verschil. Prima, dus.

Begrip

Mijn moeder vertelde me laatst: “Toen ik moeder was, zei ik altijd ‘Eh – nee, nee!’ en ging ik mijn stem verheffen. Je luisterde dan best wel snel en goed, en daarna zei ik ook ‘Goed zo!’, dus dat was op zich positief. Maar dat andere klonk best hard en dwingend. Nu heb ik van jou geleerd dat je ook kan zeggen ‘Doe maar niet’. Als je het op die vriendelijke manier zegt en gewoon rustig, en daar ook consequent in blijf natuurlijk, dan werkt dat ook. En het is vriendelijk, dat merk je ook aan het kind. Er is geen schrikreactie, maar je communiceert – je geeft geen commando’s.”

Ik wil inderdaad geen ‘nee’ zeggen. Ik zeg liever wat ik wél wil zien, bijvoorbeeld ‘Laat dat maar staan,’ of ‘Zet dat maar terug.’ Ik vond het ontzettend leuk dat mijn moeder dit zei. Hoe verschillend we ook zijn, zonder er bewust moeite voor te hebben gedaan, had mijn moeder ingezien wat ik deed en waarom! En ze waardeerde het! Hoe verschillend we ook zijn, hier denken we hetzelfde over. Hier keken we door dezelfde bril.

Begrip kan uit een onverwachte hoek komen.

Ik ga wel nóg een stapje verder. Ik wil ook geen ‘goed zo!’ zeggen. Ik heb het gevoel dat dat iets is wat je tegen een hond zegt – zoals ‘foei’ en ‘braaf’. Er zijn veel leukere dingen om te zeggen dan ‘Goed zo’.

Als Lily iets neerzet omdat ik het haar heb gevraagd (gevraagd, niet gezegd of gecommandeerd), dan heeft zij er dus voor gekózen dat te doen ómdat ik het haar heb gevraagd. Dan bedank ik haar dus en zeg ik niet ‘goed zo’. Want het is niet ‘opdracht goed uitgevoerd’. Het is ‘dankjewel dat je dit voor mij (of op mijn verzoek) doet’.

Altijd verschil

Dat gaat het begrip wel weer voorbij. Mijn moeder zegt: “Als je constant moet nadenken over hoe je de zin moet uitspreken, daar word ik niet goed van. Dus als ik tegen Lily ‘goed zo’ zeg is het niet goed, maar ‘dankjewel’ is wel goed?”.

“Natuurlijk,” zeg ik. “Tegen een volwassen persoon zeg je toch ook niet ‘Goed zo’ als hij iets doet wat je hem hebt gevraagd? Als iemand tegen jou zegt: ‘Oh mevrouw, er is een rij, wilt u achter aansluiten,’ en je doet dat, dan wil je toch ook niet dat die persoon zegt ‘Goed zo!’? Als iemand dat bij mij zou dan zou ik ‘m een slag voor z’n harses geven, geloof ik!”

“Tegen een kind zeg ik wel ‘Goed zo’ en tegen de tijd dat ze ouder worden is het ‘Dankjewel’.”

Dat snap ik niet. “Ik verplaats me dan in het kind en vraag me af, waarom mag een ouder persoon zeggen ‘Goed zo’? Alsof een ouder persoon mag bepalen wat goed of slecht is!”

Hier komen we niet helemaal uit.

We blijven toch twee verschillende mensen, hè.

Mijn gedachte is: als je kind een mooie tekening heeft gemaakt en je zegt ‘Goed zo’, kan dat de indruk geven dat een lelijke tekening niet goed is. Je geeft het bericht dat deze tekening het resultaat is wat je wil zien; alsof er ‘goede’ en ‘slechte’ tekeningen zijn. Zeg liever niet iets over het resultaat, maar (ook) over de inhoud. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat het kind mooie kleuren heeft gebruikt. Zo draait het niet om het resultaat, maar om de input, de effort.

De Voorspelbare Wereld

Even terug naar mijn vraag: Waarom denken we dat het slecht is om anders te zijn/het oneens te zijn? Terwijl we het ook belangrijk vinden om uniek te zijn? Er zijn, als je het mij vraagt, verschillende dingen aan de hand.

Je vindt jezelf uniek, de uitzondering, niet in een hokje te plaatsen, omdat je jezelf als geen ander kent. Het hokje is een stereotype, een afgevlakte omschrijving van een verzameling eigenschappen die een aantal mensen met elkaar deelt. Bij elkaar geraapt op basis van die eigenschappen, worden deze mensen in ons hoofd een groep die keurig in het hokje past. Individuen uit het hokje die wij beter leren kennen, worden (net als wij) een stukje unieker. We leren meer eigenschappen kennen en zien dat zij niet zo keurig in dat hokje passen zoals wij eerst dachten.

Als we in hokjes denken, is de wereld voorspelbaar.

We weten wat voor gedrag we kunnen verwachten van mensen uit een bepaald hokje. Uit overlevingsinstinct willen we graag weten wat we kunnen verwachten, zodat wel snel kunnen handelen: fight or flight? Dat doet ons denken dat we de controle hebben en dat voelt veilig en fijn.

We kiezen bepaalde hokjes voor onszelf waar we wél in (willen) passen – een bril waardoor we onszelf graag zien. Dit hokje is goed voor ons zelfbeeld; we zijn er trots op hierin te passen.

Als iemand vanuit een ander hokje het oneens is met eigenschappen van dat hokje waar jij zo trots op bent, en hij lijkt misschien nog wel gelijk te kunnen hebben, vormt hij een dreiging. Hij zou het hokje wel eens instabiel kunnen maken. Misschien zorgt het er wel voor dat het hokje een andere vorm krijgt en jij niet meer zo mooi past. Of misschien wíl je er dan niet meer in passen.

Instabiele hokjes zijn onvoorspelbaar. Het maakt de wereld onvoorspelbaar en dat voelt onveilig. We hebben liever dat mensen zich gedragen naar hun hokje, maar dat is niet realistisch. Over die andere mensen hebben wij immers geen controle. We hebben wél controle over de manier waarop wij naar de wereld kijken. Als we inzien dat iedereen in enige mate wel in (bijna) elk hokje past – we hebben immers allemaal wel iets van elke eigenschap – is onvoorspelbaarheid juist wat we voorspellen. Ons verwachtingspatroon zal dan bestaan uit niet één, maar duizenden hokjes.

Dan voorspel je dat iedereen eindeloos uniek is.

Sta daar voor open, wees nieuwsgierig en probeer te begrijpen. In die onvoorspelbare wereld kunnen we dan elkaar waarderen en onszelf zijn!

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*