Moederschap, een zusterschap – deel 1

Wij zijn geboren met de vaardigheid snel te kunnen oordelen over iets en iemand. Is dit veilig of gevaarlijk? Is dit een vriend of vijand? Fight or flight? Deze vaardigheid werkt ons soms een beetje tegen, namelijk in de vorm van vooroordelen. We oordelen over iemand op basis van een voorspelling die we maken aan de hand van informatie die we over hen hebben. Die informatie schiet echter vaak tekort en is niet (helemaal) voorspellend voor de eigenschappen waarover we willen oordelen. Daar komt dan ook, heel basaal, discriminatie vandaan. In een minder drastische vorm zorgt het ook voor groepsvorming en polarisatie. Dat wat we kennen vinden we steeds fijner en dat wat onbekend is vinden we niks. Dit is vaak deels gebaseerd op vooroordelen en aannames, die dus bijna nooit een goede afspiegeling zijn van de realiteit. De ‘wij’ en ‘zij’ worden karikaturen (vooral de ‘zij’) waarover we dénken van alles te weten.

Eenheid

Ik kom dit ook tegen onder moeders. ‘Wij’ en ‘zij’-kampen. Aan de ene kant is het natuurlijk fijn om gelijkgestemden te vinden en met hen te praten over dat wat jullie gemeen hebben. Maar aan de andere kant worden de verschillen tussen de groepen vergroot, wat ons bijna doet denken dat we elkaar nooit zullen begrijpen. Alsof de ene groep verschilt van de andere, meer dan een individu verschilt van een andere individu. Dat is niet waar. Ik heb nog nooit een moeder ontmoet die alles precies zo doet als ik. Ik heb ook nog nooit een moeder ontmoet met wie ik níets gemeen heb. We delen allemaal wat en we verschillen allemaal van elkaar.

In deze verscheidenheid zijn wij één.

Juist in het moederschap vind ik het zo jammer dat er negativiteit is omtrent onze verschillen. Ik denk dat het komt uit een goed hart – als moeder heb je op een gegeven moment gevonden wat volgens jou het beste is. Dat wil je delen. Je wil ook dat het kindje van een ander het goed heeft. En je wil een ander helpen jouw ‘licht’ te vinden. Helaas denken we er niet altijd bij na dat het beste voor ons niet vanzelfsprekend het beste is voor een ander en kunnen onze ongevraagde adviezen beledigend of kwetsend overkomen. Die andere moeder dacht immers ook op het goede spoor te zijn. Een gevoelig onderwerp dus.

Het moederschap is zo intens, zo belangrijk, zo mooi en zo zwaar. Alle moeders delen iets heel belangrijks: we houden allemaal grenzeloos veel van ons kind. En we doen ons stinkende best om hen het allerbeste te geven. We zouden één front moeten zijn. Een zusterschap. Een sterke groep vol liefde en steun.

Verscheidenheid

Om wat inzicht te krijgen in onze verschillen, te helpen elkaar wat beter te leren begrijpen en onze verschillen te omarmen, heb ik een onbegrensd gesprek gehad met vriendin Elsa, over onze verschillende versies van het moederschap. Wij zijn bijna tegelijkertijd moeder geworden en hebben bijna niets het zelfde gedaan – toch vinden we de ander een top-moeder!

Over logeren

Wij slapen samen in één bed. Het zoontje van Elsa, Rob, sliep tot 5 weken bij hen op de kamer, maar ging toen naar zijn eigen kamer. Met vier maanden ging hij voor het eerst uit logeren, terwijl ik daar nu nog steeds niet aan moet denken! De hele nacht zonder Lily?!

“Ja, maar jij geeft borstvoeding,” zegt ze, “Lily is nog afhankelijk van jou.”

Dat is waar. Maar het werkt ook de andere kant op – ik wil niet zonder haar slapen! Net als dat ik niet zonder mijn vriend in mijn bed wil slapen. Het bed voelt leeg als we er niet allemaal in liggen. Uit logeren gaan is veel makkelijker met Rob dan met Lily. Lily wil, sinds ze ‘echt’ eten eet, geen flesje meer. Terwijl de mamamelk bijna onmisbaar is bij het slapengaan. Rob neemt van iedereen een fles en vindt troost bij een speen en een knuffel. Lily heeft niks met een speen of knuffel (dat komt denk ik ook door de borstvoeding; ze wil alleen de real deal).

“Voel je je dan niet vervangbaar?”

vraag ik haar. Want, hartstikke praktisch, dat iedereen een fles kan geven en alles wel is zolang de speen en knuffel er zijn, maar ik heb toch liever dat Lily gehecht is aan mij en niet aan een knuffel.

“Nee, je blijft zijn moeder. Of er nou een borst of een fles aan te pas komt, hij is toch het meest blij als jij er bent. Dat merk je aan alles – hoe hij reageert als hij wakker wordt, hoe snel hij stil is als je hem oppakt,” zegt ze. “En na het logeren bij Opa en Oma werd hij schaterend wakker – was dat anders geweest, dan had hij niet zo snel weer gaan logeren.”

Dat is natuurlijk ook zo. Ik ben ook meer dan twee borsten vol mamamelk. Ook als het niet om de melk gaat, wil Lily het liefst mij.

Over nachtvoedingen

De vraag of je kindje al doorslaapt is onvermijdelijk, terwijl doorslapen helemaal niet per definitie een goed ding is. Prima, als je kindje uit zichzelf doorslaapt, maar naar mijn mening moet je het niet gaan forceren, want ‘s nachts drinken heeft een groot voordeel. De constante toevoer van melksuikers is namelijk goed voor de ontwikkeling van de hersenen, welke natuurlijk ‘s nachts ook doorgaat (veel meer over nachtvoedingen -> hier). Lily slaapt naast mij en drinkt borstvoeding – nachtvoedingen zijn voor mij dus heel makkelijk. Ik word er amper wakker van en ik hoef bovendien niet eens mijn grote teen niet onder het dekbed vandaan te steken. Als ze ziek is, zoals de afgelopen twee weken, wordt ze echter nog veel vaker wakker (normaal één of twee keer per nacht, maar bij ziekte wel 10 keer!) en wil ze dan ook steeds drinken. Dat is wel erg vermoeiend. Na die twee weken was ik er dan ook helemaal klaar mee. Ik keek haar aan en zei: ‘Nee, Lily, nu is het klaar. Nu is de melk op. Je neemt deze knuffel, gaat een speen lekker vinden en gaat slapen in je eigen bedje, op je eigen kamer, en het hele weekend blijf je bij Opa en Oma!’ Dat meende ik natuurlijk niet – althans, niet alles – maar het was wel even leuk om te zeggen. Vervolgens tilde ik mijn shirt op en vielen we samen in slaap.

Ik vroeg Elsa wat ze van nachtvoedingen vindt. Vanaf vier maanden krijgt hij geen voedingen meer, ‘s nachts. Met behulp van een papfles werd hij niet meer om 5.00 uur wakker, maar trok hij het tot 7.00 uur. Als ik haar vertel over het voordeel van nachtvoedingen voor de hersenontwikkeling, vertelt ze me:

“Het klinkt heel fijn en misschien is het ook wel zo, maar ik werk gewoon, en dan ga ik ‘s nachts geen voedingen geven als hij ook zonder kan.”

Tja, daar heb ik niets op terug te zeggen. Ik werk niet. Bovendien, zoals ik al zei, hoef ik er niet uit om een flesje te maken. Ik hoef er zelfs niet eens uit om naar Lily te komen. Ik weet ook niet of ik het zou trekken om twee keer per nacht er uit te moeten om een flesje te maken en een kwartier (ofzo?) uit mijn bed te zijn om Lily te voeden en vervolgens een hele dag te werken. Het zijn allemaal factoren die niet op zichzelf staan; het hoort bij elkaar. Ik weet niet of ik ‘s nachts zou kunnen voeden als ze niet bij ons in bed zou liggen.

Over inbakeren en dragen

Rob en Lily hebben allebei een periode gehad waarin overdag ze niet tot rust konden komen – doodmoe, huilen, maar niet kunnen slapen. Elsa heeft toen voor inbakeren gekozen. Wij kozen voor de draagzak. Ik vind het belangrijk dat Lily dicht bij mij is als ze dat nodig heeft, dat ze zich veilig voelt door mijn aanraking. Inbakeren voelt voor mij als ‘doen alsof’ je haar geeft wat ze nodig heeft: vastgehouden worden. Rob werd echter davniet rustig door vasthouden alleen; het waren nog te veel prikkels. Een draagzak vindt Elsa echter niks.

“Ik ben geen moeder om de hele dag aan te hangen,”

zegt ze. “Ik ga niet continu met mijn kind op mijn lijf rondlopen.”

“Uit principe?” vraag ik.

Het gaat haar vooral om dat hij er niet aan gewend raakt continu gedragen te kunnen worden. “Bij een kinderopvang gaan ze dat ook niet doen.”

Dat klopt. Voor mij betekende dat echter dat – als ik werk had gehad – Lily naar een antroposofische gastouder was gegaan, wie haar wél zou willen dragen.

Over verwennen

Ik heb moeite om te begrijpen wat Elsa’s redenen zijn voor niet in huis willen dragen. En zij vindt het moeilijk het uit te leggen.

“Ben je bang dat als je ‘m in slaap wiegt in de draagzak, dat je ‘m dan de hele dag moet dragen,” vraag ik.

Nee, dat is het niet. Het komt er uiteindelijk op neer dat Elsa hem bijvoorbeeld te zwaar vindt om in slaap te wiegen/dragen. Ook zegt ze dat ze hem niet te veel wil verwennen. Hier gaan mijn haren van overeind staan en, als een hele slechte luisteraar, onderbreek ik haar:

“Je kan je kind toch niet verwennen door ‘m aandacht te geven?!”

“Wel op die manier. Dat denk ik wel. Aandacht geven door spelen en drinken geven, vind ik prima. Ook knuffelen… Maar niet op het moment dat hij in slaap moet vallen. Ik heb hem vaak genoegd geknuffeld als hij ‘s nachts wakker wordt. Toen viel hij zo weer in slaap. Maar in die periode kreeg niemand hem in slaap, overdag – hij was zó overstuur. Dan kan je twee dingen doen. Voor een paar keer zou ik ‘m in slaap wiegen of in bed nemen, maar met dat soort dingen wil ik hem niet te veel verwennen. Ik wil dat hij er aan went dat hij gewoon in zijn eigen bed slaapt. Door het inbakeren wed hij direct rustig, ontspande hij zich en heeft hij in die onrustige periode ook overdag relaxt kunnen slapen.”

“En met verwennen bedoel je…?”

“Dat hij de hele tijd tegen mama aan mag liggen, net als dat Lily nu de hele tijd bij jullie in bed ligt.” “Ik wil niet dat hij daar voor zijn gevoel afhankelijk van is. Lily kan jij nu niet ‘s nachts in haar eigen bed leggen.”

Over de knuffel

Dat klopt. Lily kan niet zonder mij. ‘s Nachts dan.

Maar dat heb ik liever dan dat ze niet zonder een knuffel kan – ik vind het natuurlijker of gezonder dat ze niet zonder míj kan slapen (tot een bepaalde leeftijd dan, hè).

“Is Rob dan wel afhankelijk van een knuffel?”

Nee, hij heeft geen vaste knuffel. Daar zijn we het dan over eens – we vinden het allebei niks als een kind niet zonder zijn vaste knuffel kan.

Begrip

Dat we de dingen niet het zelfde doen, is geen geheim. Ook is duidelijk dat we het niet altijd met elkaar eens zijn. Wel hebben we respect voor wat de ander doet en wat haar overwegingen waren. We zijn nieuwsgierig naar elkaars beweegredenen en durven dan ook te vragen. Zo leren we wat meer over elkaar.

Wat zou het fijn zijn als het moederschap een zusterschap was, waarin moeder elkaar steunen, proberen te begrijpen, advies geven en verrijken.

We hoeven het niet allemaal eens te zijn – dat is onhaalbaar. Maar (proberen te) begrijpen en respecteren is heel belangrijk. Als je het niet begrijpt, vraag dan. Zonder met een oordeel klaar te staan. Sta er aan de andere kant ook voor open dat iemand jou wil begrijpen en niet beledigen als hij/zij vraagt waarom je dingen op een bepaalde manier doet. Als je er niet uitkomt, mag je het ook laten. Leven en laten leven is een prima filosofie, geloof ik.

Hoe gaat het slapen bij jullie? Doe of deed je aan dragen, inbakeren of iets anders? Zijn er nog nachtvoedingen?

Ik ben persoonlijk heel allergisch voor het woord ‘verwennen’ in het opvoeden van een kindje. Behalve door het typische krijsen dat tot het krijgen van spullen leidt, denk ik niet dat je een kind kan verwennen. Ik ben voor natuurlijk ouderschap en in mijn optiek betekent dat dat een kind kan oppakken, dragen en in slaap wiegen als hij dat wil, zonder dat je ‘m verwent. Hoe denken jullie hierover?

Wat wil jij nog weten van of over een andere moeder?!

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*